ECLI:NL:CRVB:2024:1295

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2024
Publicatiedatum
4 juli 2024
Zaaknummer
23/899 WAJONG-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 3 Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op verzoek om wraking na openbaarmaking uitspraak in hoger beroep

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland in een zaak tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep deed op 29 mei 2024 uitspraak in deze hoger beroepszaak.

Op 19 juni 2024 diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter. Volgens artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten die de onpartijdigheid kunnen schaden.

Echter, artikel 3, vierde lid, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 bepaalt dat een wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen indien het na de openbaarmaking van de einduitspraak is ingediend. Omdat de uitspraak op 29 mei 2024 openbaar werd gemaakt en het verzoek pas op 19 juni 2024 werd gedaan, is het verzoek niet ontvankelijk verklaard.

De Centrale Raad van Beroep heeft daarom besloten het wrakingsverzoek niet in behandeling te nemen en heeft geen proceskosten aan de zijde van verzoeker opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om wraking wordt niet in behandeling genomen omdat het na de openbaarmaking van de uitspraak is ingediend.

Uitspraak

23/899 WAJONG-W
Datum beslissing: 2 juli 2024
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 februari 2023, 22/3501, in een geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
In dit geding heeft C.F.E. van Olden-Smit (behandelend rechter) als lid van de enkelvoudige kamer op 29 mei 2024 uitspraak gedaan.
Op 19 juni 2024 heeft verzoeker een verzoek om wraking tegen de behandelend rechter ingediend.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 bepaalt dat de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden kan beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het is gedaan nadat in de hoofdzaak de einduitspraak openbaar is gemaakt.
3. In het voorliggende geval is op 29 mei 2024 in het openbaar uitspraak gedaan in de hoger beroepszaak van verzoeker en is het verzoek ingediend op 19 juni 2024. Dat betekent dat het verzoek is gedaan nadat de uitspraak openbaar is gemaakt. De wrakingskamer zal het verzoek daarom niet in behandeling nemen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat het verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en A. van Gijzen en K.M.P. Jacobs als leden, in tegenwoordigheid van N. ter Heerdt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2024.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) N. ter Heerdt