Appellante was hoofdbeveiliger bij ex-werkgever en meldde zich ziek op 23 oktober 2018. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat appellante niet meer geschikt was voor haar laatste werk en kende zij een WIA-uitkering toe vanaf 19 januari 2021. Appellante stelde dat ex-werkgever tekort was geschoten in zijn re-integratie-inspanningen, met name door het niet inzetten van mediation in 2019 en 2020, en dat het UWV ten onrechte geen loonsanctie oplegde.
De rechtbank oordeelde dat ex-werkgever voldoende inspanningen had geleverd, waaronder het volgen van adviezen van de bedrijfsarts en het aanbieden van passend werk in spoor 1. Mediation was niet noodzakelijk gebleken omdat de werkvloerkwesties in 2019 waren opgelost en latere uitval werd medisch onderbouwd. Ook het ontbreken van een spoor 2-traject werd niet als tekortkoming gezien.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Hij benadrukte dat ex-werkgever zich hield aan de adviezen van de bedrijfsarts, pogingen deed tot mediation zodra dat mogelijk was, en dat de situatie van appellante in 2020 medische beperkingen kende die mediation onmogelijk maakten. Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de weigering van het UWV om een loonsanctie op te leggen bleef in stand.