ECLI:NL:CRVB:2024:1369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geen toegenomen beperkingen
Appellant heeft na een auto-ongeval op 23 april 2015 langdurige klachten en heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant per 20 april 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en per 11 juni 2018 geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.
De rechtbank Oost-Brabant heeft dit besluit in stand gelaten, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische en lichamelijke toestand was verslechterd en dat de verzekeringsartsen onvoldoende beperkingen hadden aangenomen, onder meer vanwege een ernstige depressie en verergering na een ongeval in 2018.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat appellant niet arbeidsongeschikt genoeg is voor een WIA-uitkering en dat er geen toegenomen beperkingen zijn die recht geven op een nieuwe beoordeling. De medische en arbeidskundige beoordelingen zijn zorgvuldig en goed gemotiveerd. De diagnose depressie is niet medisch bevestigd en kan daarom niet leiden tot extra beperkingen.
Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft gehandhaafd. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geen toegenomen beperkingen.