Appellant, werkzaam bij een samenwerkingsverband van gemeenten, maakte bezwaar tegen zijn resultaatsbeoordeling over 2016 vanwege meningsverschillen over taken, prioriteiten en werklast. De beoordeling was gebaseerd op eenzijdig opgelegde resultaatafspraken en gaf scores variërend van 1 tot 3 op verschillende taken en competenties.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de beoordeling voldoende was onderbouwd met concrete feiten en het bestuur niet onredelijk had gehandeld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de motivering ondeugdelijk was en dat er onwaarheden waren gebruikt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de toetsing beperkt is tot de vraag of de beoordeling op voldoende gronden berust. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt vast dat het totale beeld van de beoordeling de terughoudende rechterlijke toetsing kan doorstaan. Er is geen sprake van onredelijkheid of onjuiste onderbouwing.
De Raad bevestigt daarmee de resultaatsbeoordeling over 2016 en wijst het hoger beroep af. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 mei 2024.