ECLI:NL:CRVB:2017:2314
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- E.J.M. Heijs
- K.J. Kraan
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en handhaving onvoldoende functioneren ambtenaar tijdens opleiding
Appellant, werkzaam als ambtenaar in opleiding, kreeg een tussentijdse beoordeling met het judicium 'onvoldoende' over de periode 1 juli 2015 tot 1 januari 2016. Op basis van deze beoordeling werd zijn opleiding beëindigd en ontslag verleend. Appellant stelde beroep in tegen het besluit tot handhaving van deze beoordeling en voerde onder meer aan dat de motivering onvoldoende was en dat de samenwerking met een van zijn praktijkopleiders negatief was verlopen.
De Raad toetste de beoordeling terughoudend en oordeelde dat het bestuursorgaan de negatieve beoordeling voldoende had onderbouwd met concrete feiten uit het portfolio en evaluaties. Hoewel de motivering op onderdelen beter had gekund, voldeed deze aan het motiveringsbeginsel. De Raad verwierp het betoog dat de beoordelingscommissie verplicht was per criterium een toelichting te geven.
De Raad concludeerde dat de onvoldoende scores, waaronder op kritische criteria, en de kwantitatieve productie voldoende waren onderbouwd. Ook de omstandigheden van de samenwerking met een opleider konden de beoordeling niet wijzigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot handhaving van de onvoldoende beoordeling wordt ongegrond verklaard.