ECLI:NL:CRVB:2024:1442
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving sinds 2014 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, aanvankelijk vastgesteld op circa 70%. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in april 2021 voerde het UWV een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek uit. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast, maar de arbeidsdeskundige berekende een arbeidsongeschiktheidspercentage van slechts 3,19%. Op basis hiervan beëindigde het UWV de uitkering per 10 september 2021.
Appellante maakte bezwaar en beroep tegen deze beslissing, stellende dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zij meer beperkingen had, waaronder psychische klachten en excessief ziekteverzuim door PTSS. Ook voerde zij aan dat de geselecteerde functies niet passend waren vanwege haar opleiding en taalvaardigheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd dit oordeel bevestigd. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de verzekeringsarts voldoende informatie had ingewonnen, en dat de psychische en lichamelijke klachten niet objectief waren onderbouwd voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De arbeidsdeskundige had terecht passende functies geselecteerd, waarbij het opleidingsniveau en taalvaardigheid van appellante voldoende waren.
De Raad concludeerde dat het UWV de WIA-uitkering terecht had beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 10 september 2021 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.