ECLI:NL:CRVB:2024:1460
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting bij werkzaamheden
Appellant ontving bijstand sinds 2016 en verrichtte in november 2022 werkzaamheden bij een kapperszaak zonder dit duidelijk te melden aan het dagelijks bestuur. Hoewel appellant stelde dat het een werkstage betrof en hij pas melding hoefde te maken bij een contract of inkomsten, oordeelde de Raad dat de werkzaamheden op geld waardeerbaar waren en dus gemeld hadden moeten worden.
Na een onderzoek door de sociale recherche en een besluit tot intrekking van de bijstand per 12 november 2022, volgde een terugvordering van €795,25 over de periode tot 30 november 2022. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij het dagelijks bestuur wel had geïnformeerd over zijn voornemen om te gaan werken, maar dit volstond niet volgens de Raad.
De Raad benadrukte dat de inlichtingenverplichting vereist dat de belanghebbende alle feiten meldt die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, ook als het gaat om een werkstage of proefcontract. Het enkel informeren over een voornemen was onvoldoende omdat het niet concreet was wanneer de werkzaamheden zouden starten. Het hoger beroep faalde en de terugvordering bleef gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden blijft in stand.