Appellante, geboren in 1984 en met niet-aangeboren hersenletsel, heeft beperkingen bij huishoudelijke taken en ontvangt op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp. Het college had deze voorziening vastgesteld op 300 minuten per week, maar appellante betwistte dit en vorderde een hogere omvang.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de 300 minuten, waarbij onder meer werd geoordeeld dat strijken niet noodzakelijk is en dat het schoonmaken van drie extra slaapkamers beperkt is omdat deze niet dagelijks in gebruik zijn. Appellante voerde aan dat het college onvoldoende rekening hield met haar beperkingen, het dagelijks gebruik van twee slaapkamers, de aanwezigheid van katten, en de noodzaak van strijken en maaltijdverzorging.
De Raad oordeelt dat appellante recht heeft op een maatwerkvoorziening van 313 minuten per week, omdat zij twee slaapkamers vrijwel dagelijks gebruikt. Het college had onvoldoende rekening gehouden met dit feit. Het beleid dat geen tijd wordt toegekend voor strijken wordt bevestigd, omdat strijkvrije kleding een redelijke oplossing is. Ook wordt geen extra tijd toegekend voor katten of maaltijdverzorging, aangezien alternatieven adequaat zijn.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en het bestreden besluit voor zover het de 300 minuten betreft, en wijst de maatwerkvoorziening van 313 minuten toe. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van appellante.