Appellant werkte van mei 2010 tot april 2013 als Rijnvarende op een motortankschip van een Nederlandse vennootschap, maar stond op de loonlijst van een Luxemburgse werkgever. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde bij besluit vast dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing was op deze periode. Appellant maakte bezwaar en verzocht tevens om een regularisatieovereenkomst met Luxemburg, wat werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond vanwege overschrijding van de redelijke termijn door de Svb en kende een schadevergoeding en proceskostenvergoeding toe, maar liet de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissing en handhaafde zijn standpunt dat Luxemburgse wetgeving van toepassing zou moeten zijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de Svb terecht had vastgesteld dat de Nederlandse wetgeving van toepassing was op grond van de Rijnvarendenovereenkomst en dat er geen plaats was voor een belangenafweging of regularisatie bij de vaststelling van de toepasselijke wetgeving. De Raad vernietigde de proceskostenveroordeling van de rechtbank voor de bezwaarfase en beperkte de vergoeding, maar verklaarde het hoger beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond.