ECLI:NL:CRVB:2024:1673
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens vermogen in auto
Appellante ontving bijstand sinds december 2018 en had in september 2019 een Mercedes Benz op haar naam staan. Het college stelde vast dat de dagwaarde van de auto € 13.157,- bedroeg, wat boven de vrij te laten vermogensgrens van € 12.240,- lag. Op basis hiervan trok het college de bijstand over de periode 10 september tot 10 oktober 2019 in en vorderde dit bedrag terug.
Appellante voerde aan dat de auto aan haar broer toebehoorde en dat de waarde lager was vanwege schade bij aankoop. Zij stelde ook dat schulden in aanmerking genomen moesten worden en dat het evenredigheidsbeginsel toegepast moest worden. De Raad oordeelde dat het kentekenbewijs, de verzekering, de brandstofkosten en het feit dat appellante de enige bestuurder was, wijzen op vermogenstoerekening aan haar. De verklaringen van haar broer en verkoper waren onvoldoende onderbouwd.
De Raad verwierp het betoog dat de dagwaarde niet juist was vastgesteld, omdat geen bewijs was dat de schade al bestond in de relevante periode. Ook het betoog dat schulden in mindering moesten worden gebracht werd afgewezen, omdat de vaste rechtspraak bepaalt dat schulden bij vermogenstoeval niet in aanmerking worden genomen. Ten slotte is het evenredigheidsbeginsel niet van toepassing bij de vaststelling van het vermogen volgens de Participatiewet.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de intrekking en terugvordering van de bijstand blijft in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand blijft in stand.