ECLI:NL:CRVB:2024:1712
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voldoende re-integratie-inspanningen werkgever bij WIA-uitkering
Appellante was werkzaam als hoger veiligheidskundige en meldde zich ziek met psychische klachten. Na aanvraag van een WIA-uitkering beoordeelde het UWV de re-integratie-inspanningen van de werkgever als voldoende en kende een uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat de werkgever onvoldoende had gedaan aan haar re-integratie en dat de sociaal-medische begeleiding ontoereikend was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV op basis van een verzekeringsartsrapport terecht had geconcludeerd dat de werkgever aan zijn verplichtingen had voldaan.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het dossier onvolledig was, de medische beoordeling niet zorgvuldig en dat benutbare mogelijkheden in de eerste drie maanden na ziekmelding niet waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep volgde deze argumenten niet en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake was van benutbare mogelijkheden gedurende de wachttijd en dat de re-integratie-inspanningen voldoende waren.
De Raad benadrukte dat het ontbreken van benutbare mogelijkheden niet toe te schrijven was aan ontoereikende sociaal-medische begeleiding en dat het UWV terecht geen loonsanctie oplegde. Het hoger beroep werd verworpen en appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV blijft in stand.