ECLI:NL:CRVB:2024:1714
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bepaling dat bovenwettelijke uitkering niet meetelt bij vaststelling WIA-dagloon bevestigd
Appellante was van 2001 tot 2016 in dienst bij haar werkgever en ging ziek uit dienst. Na diverse uitkeringen op grond van de Ziektewet en Werkloosheidswet ontving zij ook een bovenwettelijke uitkering van haar ex-werkgever. Bij de vaststelling van haar WIA-uitkering heeft het UWV deze bovenwettelijke uitkering buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het dagloon. Appellante maakte bezwaar tegen deze berekening, stellende dat de uitkering wel als loon moest worden meegeteld.
De rechtbank oordeelde dat de bovenwettelijke uitkering een aanvulling is zoals bedoeld in artikel 14 van Pro het Dagloonbesluit en daarom niet meetelt bij de dagloonberekening. Ook het beroep van appellante op het evenredigheidsbeginsel werd verworpen omdat het voorkomen van overcompensatie centraal staat. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de uitkering gelijkgesteld moest worden aan wachtgeld of een soortgelijke uitkering, en dat het niet meenemen onredelijk was.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De Raad stelde vast dat de bovenwettelijke uitkering geen loon is in de zin van het Dagloonbesluit en dat het niet meenemen daarvan geen onredelijke last oplevert. Ook de door appellante aangevoerde bijzondere omstandigheden, waaronder het advies om zich hersteld te melden, rechtvaardigen geen afwijking van het besluit. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht de bovenwettelijke uitkering niet betrokken bij de vaststelling van het WIA-dagloon.