ECLI:NL:CRVB:2024:1756
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering van te veel betaald ziekengeld door het UWV
Appellante ontving volledig ziekengeld terwijl zij inkomsten uit arbeid had, waardoor het UWV het bedrag heeft herzien en teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat zij te veel ontving. Het hoger beroep richtte zich op de vraag of de herziening en terugvordering terecht waren over de periode van juni tot november 2021.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het ziekengeld heeft herzien en teruggevorderd over deze periode, omdat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij teveel ontving. De Raad verwierp het betoog van appellante dat de terugvordering zich moest beperken tot een latere periode en wees ook het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Verder werd geoordeeld dat het UWV bevoegd was om de kostenvergoeding in bezwaar te verrekenen met de terugvordering en dat het beroep van appellante op internationale verdragsbepalingen niet onderbouwd was. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vernietigd en het bestreden besluit vernietigd. Het beroep tegen het latere besluit van het UWV werd ongegrond verklaard. Appellante kreeg een volledige vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het UWV heeft terecht het ziekengeld van appellante over juni tot en met november 2021 herzien en teruggevorderd tot een bedrag van € 4.750,92 bruto.