Uitspraak
OVERWEGINGEN
22 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1295).
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf februari 2010 een WIA-uitkering. In april 2011 werd op zijn woonadres een hennepkwekerij met 30 planten aangetroffen. De politierechter veroordeelde appellant voor overtreding van de Opiumwet en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast. Het UWV herzag daarop de WIA-uitkering en vorderde een bedrag terug, vermeerderd met een boete wegens niet-melding van inkomsten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de herziening ongegrond en bevestigde de terugvordering en boete. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV onjuist was uitgegaan van een hogere opbrengstprijs per gram hennep dan de officier van justitie en dat het onderzoek naar de omvang van de werkzaamheden onvoldoende was geweest.
De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom het afweek van de lagere opbrengstprijs uit het BOOM-rapport en de officier van justitie. Daarom is de motivering van het besluit ontoereikend en moet het UWV binnen zes weken het besluit herzien en opnieuw motiveren, waarbij de opbrengstprijs uit het BOOM-rapport moet worden gehanteerd. Verdere beslissingen, waaronder over de boete, worden aangehouden.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit over terugvordering WIA-uitkering binnen zes weken te herzien en opnieuw te motiveren met inachtneming van de lagere opbrengstprijs uit het BOOM-rapport.