ECLI:NL:CRVB:2024:188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- M.F. Wagner
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellant ontving sinds 2009 bijstand en het college vermoedde dat hij sinds 2016 zijn hoofdverblijf had op het adres van Y, met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde. Na onderzoek door sociale recherche, waarbij verklaringen van appellant en derden werden verzameld, trok het college de bijstand met ingang van 1 januari 2016 in en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug.
Appellant voerde aan geen gezamenlijke huishouding te voeren en betwistte de verklaring die hij tijdens het derde verhoor had afgelegd. De Raad oordeelde echter dat deze verklaring, die appellant zelf had ondertekend, betrouwbaar was en ondersteund werd door andere onderzoeksbevindingen, zoals cameraopnamen en verklaringen van betrokkenen.
De Raad stelde vast dat appellant en Y hun hoofdverblijf deelden en dat sprake was van wederzijdse zorg, onder meer door het uitlaten van de hond en gezamenlijke huishoudelijke taken. Hierdoor kon appellant niet als zelfstandig bijstandsgerechtigde worden aangemerkt.
Het hoger beroep van appellant werd afgewezen, de intrekking van de bijstand bleef in stand en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 16 januari 2024.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand met ingang van 1 januari 2016 wordt bevestigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.