ECLI:NL:CRVB:2024:189
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens te lang verblijf in het buitenland zonder zeer dringende redenen
Appellant ontvangt sinds 2013 bijstand en vroeg in juni 2020 toestemming om tijdelijk met behoud van bijstand naar het buitenland te gaan. Het college verleende toestemming voor de periode van 7 juli tot en met 2 augustus 2020, met de waarschuwing dat bij een verblijf langer dan 28 dagen de bijstand zou worden beëindigd.
Appellant meldde op 3 augustus 2020 dat hij in een ziekenhuis in het buitenland verbleef en keerde op 17 augustus 2020 terug naar Nederland. Het college trok de bijstand over de periode van 5 tot en met 17 augustus 2020 in wegens overschrijding van de toegestane verblijfsduur buiten Nederland en het ontbreken van zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en in hoger beroep voerde appellant aan dat zijn ziekenhuisopname onvoorzienbaar was en een acute noodsituatie vormde die zeer dringende redenen opleverde om bijstand te verlenen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn medische situatie in de betreffende periode zodanig was dat er sprake was van behoeftige omstandigheden die op geen enkele andere wijze konden worden verholpen. Enkel een medische situatie die het eerder terugkeren belemmerde, is onvoldoende om zeer dringende redenen aan te nemen.
Daarom wordt het hoger beroep verworpen, de intrekking van de bijstand bevestigd en worden de proceskosten niet aan appellant toegekend.
Uitkomst: De intrekking van bijstand wegens te lang verblijf in het buitenland zonder zeer dringende redenen wordt bevestigd.