Appellant had in 2017 een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag die door het college werd afgewezen vanwege een opgelegde maatregel in de referteperiode. Na diverse procedures en een uitspraak van de rechtbank Limburg over een latere aanvraag, verzocht appellant het college om herziening van het oorspronkelijke besluit. Dit verzoek werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat jurisprudentie geen nieuw feit of omstandigheid vormt en dat het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist was. Hoewel het college ten onrechte geen hoorzitting hield, werd dit gebrek gepasseerd omdat appellant niet benadeeld was.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het verzoek om schadevergoeding werden afgewezen. De Raad bevestigde de afwijzing van het herzieningsverzoek en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.