ECLI:NL:CRVB:2023:2176
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening boetebesluit wegens schending inlichtingenverplichting bij bijstand
Appellant ontving bijstand vanaf juni 2012 en werd door het college op 6 mei 2014 een boete opgelegd wegens het niet volledig melden van inkomsten uit arbeid, wat een schending van de inlichtingenverplichting betrof. Het college herzag de boete in 2020 en stelde deze vast op € 844,-. Appellant verzocht om verdere herziening, maar het college wees dit af omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde of het college terecht en zorgvuldig had gehandeld bij het weigeren van verdere herziening. Appellant stelde dat hij zijn inlichtingenverplichting niet had geschonden, dat de berekening van het benadelingsbedrag onduidelijk was en dat sprake was van dubbele bestraffing.
De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe feiten had ingebracht en dat het college terecht was uitgegaan van normale verwijtbaarheid. De boete was conform de vuistregeluitspraken vastgesteld en verdere verlaging was niet evident onredelijk. De terugvordering van bijstandkosten is geen straf, waardoor geen sprake is van dubbele bestraffing. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en handhaafde de boete.
Uitkomst: De boete van € 844,- blijft gehandhaafd omdat het niet verder herzien van de boete niet evident onredelijk is.