Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als schoonmaker, viel in 2008 uit wegens diverse klachten waaronder nek-, schouder-, rug- en psychische klachten. Het UWV stelde in 2010 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna meerdere procedures volgden over het recht op WIA-uitkering. In 2022 vroeg appellant herbeoordeling vanwege vermeende toename van beperkingen per 6 januari 2015. Het UWV stelde een arbeidsongeschiktheidspercentage van 53,92% vast per die datum en beëindigde later de uitkering per 3 februari 2023 omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor een toename van beperkingen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel na beoordeling van het hoger beroep. De Raad concludeert dat het UWV terecht het arbeidsongeschiktheidspercentage heeft vastgesteld en dat de beëindiging van de uitkering correct was. De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding af en ziet geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen.
De uitspraak benadrukt dat bij laattijdige aanvragen een retrospectieve beoordeling plaatsvindt en dat het risico van onvoldoende medische gegevens voor rekening van appellant komt. De Raad onderschrijft de zorgvuldigheid van het medisch en arbeidskundig onderzoek en bevestigt dat de geselecteerde functies passend zijn. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 53,92% arbeidsongeschiktheid per 6 januari 2015 en de beëindiging van de WIA-uitkering per 3 februari 2023.