ECLI:NL:CRVB:2024:1953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende toename arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 1998 een WAO-uitkering ontving vanwege rugklachten, kreeg deze uitkering per 24 januari 2006 beëindigd omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. In 2019 meldde appellant een toename van zijn medische beperkingen sinds medio 2009, waarop het UWV een herbeoordeling uitvoerde en bij besluit van 22 juli 2021 de uitkering weigerde, omdat geen toename binnen vijf jaar na 2006 was vastgesteld.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 11 mei 2022 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit in september 2023, stellende dat de medische beoordeling, inclusief MRI-gegevens en huisartsrapporten, geen bewijs leverde voor een toename van beperkingen. De subjectieve klachten van appellant werden niet als voldoende objectief bewijs gezien.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV hem niet had geïnformeerd over de mogelijkheid tot hernieuwde aanvraag bij toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat er onvoldoende medisch onderzoek was gedaan, waaronder het ontbreken van een fysiek onderzoek. De Raad oordeelde echter dat het UWV geen actieve informatieplicht had en dat het medisch onderzoek zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was, mede gezien het tijdsverloop en de medische geschiedenis van appellant.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd voor een toename van medische beperkingen binnen de wettelijke termijn en bevestigde de eerdere uitspraak. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WAO-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van een relevante toename van arbeidsongeschiktheid.