ECLI:NL:CRVB:2024:2054
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit bevestigd
Appellant was laatstelijk assemblagemedewerker en meldde zich ziek op 13 februari 2019. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 17 januari 2021 na een beoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige die concludeerden dat appellant een resterende verdiencapaciteit van meer dan 65% heeft.
Appellant voerde aan dat zijn medische beperkingen zwaarder waren dan vastgesteld, onder meer vanwege knieklachten, medicatiegebruik, en diagnoses van artsen uit Turkije. Hij stelde dat het UWV onvoldoende rekening hield met deze beperkingen en dat de geselecteerde functies niet passend waren, mede vanwege onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. Tevens voerde hij aan dat het maatmaninkomen onjuist was berekend.
De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren. De Raad onderschrijft dit oordeel en voegt toe dat de medische beoordeling en arbeidskundige beoordeling grondig zijn gemotiveerd. Het arrest Korošec leidt niet tot schending van het equality of arms-beginsel omdat voldoende medische stukken zijn ingebracht en een contra-expertise niet noodzakelijk is.
De Raad concludeert dat appellant geen recht meer heeft op een ZW-uitkering en bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De beëindiging van de uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering per 17 januari 2021 wordt bevestigd omdat appellant meer dan 65% van zijn loon kan verdienen in passende functies.