ECLI:NL:CRVB:2024:2104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag overbruggingsuitkering wegens niet-eindigen lijfrente-uitkering op 65-jarige leeftijd
Appellante vroeg bij de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een overbruggingsuitkering aan vanaf haar 65ste verjaardag tot haar pensioengerechtigde leeftijd van 67 jaar. De Svb wees dit verzoek af omdat de lijfrente-uitkering van appellante niet eindigde in de maand van haar 65ste verjaardag of de eerste dag van de maand daarna, zoals vereist is volgens artikel 4, eerste lid, sub a, van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR).
Appellante stelde dat de lijfrente-uitkeringen oorspronkelijk tot haar 65ste zouden doorlopen, maar dat de verzekeringsmaatschappij eenzijdig de looptijden had verkort. Zij verwees naar een eerdere uitspraak van de Raad van 10 juli 2017 om haar standpunt te ondersteunen. De Raad oordeelde echter dat de situatie van appellante niet vergelijkbaar was met die eerdere zaak en dat zij onvoldoende controleerbare gegevens had overgelegd om de verkorting van de looptijd te betwisten.
Verder voerde appellante aan dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel vanwege de financiële gevolgen. De Raad verwierp dit verweer omdat appellante een IOAW-uitkering ontving, waardoor zij en haar echtgenoot een inkomen op bijstandsniveau hadden, en een overbruggingsuitkering ook invloed zou hebben gehad op deze uitkering.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het bestreden besluit. Appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag overbruggingsuitkering omdat de lijfrente-uitkering niet eindigde in de vereiste periode.