ECLI:NL:CRVB:2017:2533
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- T.L. de Vries
- M.M. van de Kade
- M.A.H. van Dalen-van Bekkum
- Rechtspraak.nl
Discriminatie bij vaststelling overbruggingsuitkering AOW door buiten beschouwing laten lijfrente-uitkering
Appellant, voormalig zelfstandige bakker, ontving een overbruggingsuitkering AOW waarbij de inkomsten uit zijn op 1 april 2014 geëindigde lijfrente-uitkering buiten beschouwing waren gelaten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de lijfrente niet vergelijkbaar was met een prepensioenregeling.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde dat appellant zich in een vergelijkbare situatie bevindt als een voormalig werknemer met een prepensioenuitkering die eindigt bij het bereiken van 65 jaar. Het onderscheid dat de Sociale Verzekeringsbank maakt tussen deze situaties is niet proportioneel en onvoldoende gerechtvaardigd.
De Raad overweegt dat de lijfrente-uitkering van appellant was bedoeld als inkomensvoorziening ter overbrugging tot de AOW-leeftijd en dat het vermogen niet vrij beschikbaar was bij de wetswijziging die de AOW-leeftijd verhoogde. Hierdoor is sprake van discriminatie in de zin van het EVRM.
De Raad draagt de Sociale Verzekeringsbank op het besluit binnen zes weken te herstellen en de lijfrente-uitkering mee te nemen in de berekening van de overbruggingsuitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep beveelt de Sociale Verzekeringsbank het besluit te herstellen en de beëindigde lijfrente-uitkering mee te nemen in de overbruggingsuitkering.