Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg om een overbruggingsuitkering vanaf zijn 65ste verjaardag tot aan het moment waarop zijn AOW inging. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af omdat de lijfrente-uitkering van appellant niet eindigde in de maand van zijn 65ste verjaardag of de eerste dag van de maand daarna, zoals vereist is volgens artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR).
Appellant voerde aan dat de lijfrente-uitkeringen bedoeld waren om tot zijn 65ste te lopen, maar dat de verzekeringsmaatschappij eenzijdig de looptijd had verkort. Hij verwees naar een eerdere uitspraak van de Raad uit 2017 om zijn standpunt te onderbouwen. De Raad stelde echter vast dat de feitelijke beëindiging van de lijfrente-uitkering niet voldeed aan de wettelijke eis en dat appellant geen controleerbare gegevens had geleverd die aantonen dat hij de verkorting niet had kunnen beïnvloeden.
Verder stelde appellant dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel vanwege de financiële gevolgen. De Raad oordeelde dat dit niet het geval was, mede omdat de echtgenote van appellant een IOAW-uitkering ontving en een overbruggingsuitkering mogelijk invloed zou hebben gehad op deze uitkering.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het bestreden besluit, waardoor appellant geen recht heeft op een overbruggingsuitkering en geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de overbruggingsuitkering blijft in stand.