ECLI:NL:CRVB:2024:2112
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing compensatie transitievergoeding wegens termijnoverschrijding en niet-verschoonbaarheid
Appellante, een werkgever, betaalde op 1 april 2019 een transitievergoeding aan een zieke werknemer. Zij vroeg compensatie aan bij het Uwv, maar diende de aanvraag pas op 30 november 2020 in, terwijl dit uiterlijk 1 oktober 2020 had moeten gebeuren volgens artikel 3 van Pro de Regeling compensatie transitievergoeding.
Het Uwv wees de aanvraag af wegens te late indiening en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, mede omdat appellante niet tijdig de benodigde E-herkenning activeerde, ondanks meerdere pogingen en waarschuwingen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de digitale aanvraagprocedure niet geoptimaliseerd was en dat zij tijdig contact had gezocht met het Uwv om de aanvraag schriftelijk te doen, wat werd geweigerd. De Raad oordeelde dat de termijnoverschrijding niet aan appellante kan worden toegerekend en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de overschrijding verschoonbaar maken.
De Raad constateerde een schending van het hoor en wederhoor-beginsel door de rechtbank, maar gaf appellante alsnog gelegenheid tot reactie, waardoor vernietiging van het vonnis niet nodig was. De Raad bevestigde de afwijzing van de compensatieaanvraag en veroordeelde het Uwv in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De aanvraag om compensatie van de transitievergoeding wordt afgewezen wegens overschrijding van de termijn en niet-verschoonbaarheid daarvan.