Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer en dienstbetrekking.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als gemeenteraadslid, verzocht om een WW-uitkering die door het UWV werd afgewezen omdat hij niet als werknemer in de zin van de WW kon worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het werk als gemeenteraadslid niet maatschappelijk gelijkgesteld kan worden met een dienstbetrekking zoals bedoeld in artikel 5 van Pro de WW en het Besluit.
Appellant voerde aan dat zijn werkzaamheden als gemeenteraadslid als fictieve dienstbetrekking moesten worden beschouwd, maar de Raad volgde dit niet. De Raad benadrukte dat een gemeenteraadslid een onafhankelijke volksvertegenwoordiger is zonder gezagsverhouding en dat de vergoeding geen loon is, waardoor niet aan de vereisten voor een dienstbetrekking wordt voldaan.
Daarnaast wees de Raad op artikel 8, vierde lid, van de WW, waaruit blijkt dat het werknemerschap eindigt bij het verrichten van werkzaamheden als lid van een vertegenwoordigend orgaan. Het hoger beroep werd dan ook verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd, met als gevolg dat appellant geen WW-uitkering ontvangt en geen proceskostenvergoeding krijgt.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht ontzegd omdat het werk als gemeenteraadslid niet als dienstbetrekking wordt beschouwd.