ECLI:NL:CRVB:2024:2137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toegenomen arbeidsongeschiktheid en vaststelling WIA-percentage per 1 maart 2020
Appellant, die sinds 2013 arbeidsongeschikt is, betwistte de vaststelling van het UWV dat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage per 1 maart 2020 53,65% bedraagt. Hij stelde dat zijn klachten, waaronder buik-, SOLK-, elleboog-, aambeien-, overprikkelings- en energetische klachten, tot een toename van beperkingen leiden door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de eerdere WIA-beoordeling van oktober 2018.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak. Medische rapporten van verzekeringsartsen en een gerechtelijk deskundige bevestigden dat de geclaimde toename van klachten niet medisch onderbouwd was of voortkwam uit een andere oorzaak dan de eerdere aandoeningen. Ook de arbeidskundige beoordeling concludeerde dat de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunten herhaald, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad concludeerde dat het UWV voldoende gemotiveerd heeft dat de toegenomen klachten niet leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid op basis van dezelfde ziekteoorzaak binnen de wettelijke termijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 maart 2020 is terecht vastgesteld op 53,65%.