Uitspraak
niet-ontvankelijk verklaard.
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker heeft meerdere malen verzocht om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 mei 2019, waarin zijn WAO-uitkering werd vastgesteld op basis van een laag dagloon. De Raad heeft eerder verzoeken afgewezen omdat deze geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten zoals vereist in artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij het meest recente verzoek van 17 juli 2023 heeft verzoeker opnieuw om herziening gevraagd met aanvullende loongegevens, maar de Raad oordeelde dat dit een herhaling betrof zonder nieuwe feiten. Bovendien was het verzoek ruim vier jaar na de oorspronkelijke uitspraak ingediend, waardoor het onredelijk laat was.
De Raad verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk, waardoor de uitspraak van 9 mei 2019 in stand blijft. Verzoeker krijgt geen vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de WAO-uitkeringsuitspraak wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke late indiening en het ontbreken van nieuwe feiten.