Appellant diende op 7 november 2019 een aanvraag in voor langdurige zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Het CIZ wees deze aanvraag bij besluit van 28 januari 2020 af, omdat de grondslag verstandelijke handicap niet kon worden vastgesteld en de psychiatrische grondslag geen toegang tot de Wlz bood. Appellant stelde beroep in tegen deze afwijzing.
Tijdens de beroepsprocedure nam het CIZ een herziene beslissing op bezwaar waarbij appellant werd geïndiceerd voor zorgprofiel GGZ Wonen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede ongegrond. Vervolgens indiceerde het CIZ appellant bij besluit van 4 januari 2024 voor zorgprofiel VG07, gebaseerd op een nieuwe aanvraag en nieuwe informatie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen procesbelang meer had bij het hoger beroep tegen de eerdere besluiten, omdat het nieuwe indicatiebesluit van 4 januari 2024 een inhoudelijk oordeel over de eerdere besluiten voor de toekomst overbodig maakt. Ook was het onaannemelijk dat appellant schade had geleden. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het CIZ werd veroordeeld in de proceskosten die appellant redelijkerwijs had moeten maken in verband met het hoger beroep van het CIZ.