ECLI:NL:CRVB:2024:2220
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget ondanks geen verwijt aan budgethouder
Appellant, geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), ontving voor 2018 een persoonsgebonden budget (pgb) waarmee zorg werd ingekocht. Uit een administratief onderzoek bleek dat betalingen uit het pgb plaatsvonden in een periode waarin de zorgverlener geen zorg verleende. Het zorgkantoor stelde het pgb lager vast en vorderde €5.960,10 terug wegens onverschuldigde betalingen.
Appellant erkende de verkeerde besteding, maar betwistte aansprakelijkheid omdat hij een gewaarborgde hulp had en geen controle over de zorgverlener. Hij stelde dat het zorgkantoor het bedrag bij de zorgverlener moest terugvorderen en dat hij financieel niet in staat was terug te betalen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Raad oordeelde dat de budgethouder verantwoordelijk blijft voor naleving van pgb-verplichtingen, ook bij een gewaarborgde hulp. Bescherming van de goede trouw vindt plaats bij invordering, niet bij vaststelling en terugvordering. Verhaal op de zorgverlener is alleen mogelijk bij toerekenbaar handelen, wat hier niet is aangetoond. De belangenafweging van het zorgkantoor was niet onevenredig, en appellant kan een betalingsregeling treffen of uitstel vragen.
Het hoger beroep faalde, de lagere vaststelling en terugvordering bleven in stand en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De lagere vaststelling en terugvordering van het pgb blijven in stand ondanks het ontbreken van verwijt aan appellant.