Appellante vroeg een persoonsgebonden budget (pgb) aan, dat door het zorgkantoor werd afgewezen op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, Wlz, omdat zij zich in de periode 2012-2014 niet aan de verplichtingen van een eerder AWBZ-pgb zou hebben gehouden.
De Raad oordeelt dat het zorgkantoor zich onterecht bevoegd heeft geacht om op basis van deze eerdere AWBZ-verplichtingen een pgb op grond van de Wlz te weigeren. Deze bevoegdheid is niet toereikend voor de weigering, zoals eerder door de Raad is overwogen.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de bestreden uitspraak en het besluit vernietigd. De Raad beschikt niet over voldoende gegevens om zelf een nieuwe beslissing te nemen en draagt het zorgkantoor op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens wordt het zorgkantoor veroordeeld in de proceskosten van appellante en wordt bepaald dat tegen de nieuwe beslissing alleen bij de Raad beroep kan worden ingesteld.