ECLI:NL:CRVB:2024:2230

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 oktober 2024
Publicatiedatum
26 november 2024
Zaaknummer
23 2796 AWBZ-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.3.3 WlzArt. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing persoonsgebonden budget wegens eerdere verplichtingen AWBZ niet nageleefd

Appellante vroeg een persoonsgebonden budget (pgb) aan, dat door het zorgkantoor werd afgewezen op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, Wlz, omdat zij zich in de periode 2012-2014 niet aan de verplichtingen van een eerder AWBZ-pgb zou hebben gehouden.

De Raad oordeelt dat het zorgkantoor zich onterecht bevoegd heeft geacht om op basis van deze eerdere AWBZ-verplichtingen een pgb op grond van de Wlz te weigeren. Deze bevoegdheid is niet toereikend voor de weigering, zoals eerder door de Raad is overwogen.

Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de bestreden uitspraak en het besluit vernietigd. De Raad beschikt niet over voldoende gegevens om zelf een nieuwe beslissing te nemen en draagt het zorgkantoor op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens wordt het zorgkantoor veroordeeld in de proceskosten van appellante en wordt bepaald dat tegen de nieuwe beslissing alleen bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak worden vernietigd, en het zorgkantoor wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.

Uitspraak

23.2796 AWBZ-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 september 2023, 22/2832 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
VGZ Zorgkantoor (zorgkantoor)
Datum uitspraak: 30 oktober 2024
Zitting hebben: K.M.P. Jacobs als voorzitter en J.J. Janssen en C.W.C.A. Bruggeman als leden
Griffier: C.K. Teunissen
Ter zitting is appellante verschenen, bijgestaan door mr. C.J. Driessen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Gohari en M. van der Wal.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 2 november 2022;
  • draagt het zorgkantoor op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
  • veroordeelt het zorgkantoor in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.500,-;
  • bepaalt dat het zorgkantoor het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 186,- vergoedt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Het zorgkantoor heeft de aanvraag van appellante om een persoonsgebonden budget (pgb) afgewezen. Aan deze afwijzing heeft het zorgkantoor het bepaalde in artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wet langdurige zorg (Wlz) ten grondslag gelegd. In deze bepaling staat dat een pgb in ieder geval wordt geweigerd indien de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Het gaat hierbij om de besteding van het pgb dat appellante in de periode van 2012 tot en met 2014 heeft ontvangen in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
2. Zoals ter zitting is besproken met partijen houdt de afwijzing van de aanvraag op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz geen stand. Het zorgkantoor heeft zich ten onrechte bevoegd geacht om op grond van de overweging dat appellante zich niet heeft gehouden aan verplichtingen verbonden aan het AWBZ-pgb, een pgb op grond van de Wlz te weigeren. Dit heeft de Raad eerder overwogen. [1]
3. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Ook het bestreden besluit wordt vernietigd. De Raad beschikt over onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. De Raad zal het zorgkantoor opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door het zorgkantoor te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
4. Aanleiding bestaat om het zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.750,- in beroep voor verleende rechtsbijstand (2 punten met wegingsfactor 1) en op 1.750,- in hoger beroep (2 punten met wegingsfactor 1). Appellante krijgt het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoed.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) C.K. Teunissen (getekend) K.M.P. Jacobs
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 7 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1057.