ECLI:NL:CRVB:2024:2275
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens niet-duurzaam ontbreken arbeidsvermogen
Appellante heeft op 12 maart 2019 een Wajong-uitkering aangevraagd vanwege PTSS, straatvrees en ADHD. Het UWV stelde vast dat zij op de datum van aanvraag geen arbeidsvermogen had, maar dat deze situatie niet duurzaam was, mede omdat zij in 2015 en 2016 in loondienst werkte. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het UWV onvoldoende had onderzocht of het arbeidsvermogen in de tien jaar na haar achttiende verjaardag onafgebroken ontbrak, en gaf het UWV de gelegenheid dit te herstellen.
Het UWV motiveerde het besluit aanvullend met een arbeidsdeskundig rapport waaruit bleek dat appellante in de relevante periode wel arbeidsvermogen had. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat het gebrek was hersteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij in die periode niet had gewerkt en dat het ontbreken van arbeidsvermogen daarom duurzaam was.
De Raad overwoog dat het recht op een Wajong-uitkering ontstaat op de dag van aanvraag en dat het ontbreken van arbeidsvermogen op die datum niet duurzaam was. Dit werd onderbouwd door het feit dat appellante recentelijk een dienstverband had en dat herstel van haar aandoeningen mogelijk is. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van het UWV om een Wajong-uitkering toe te kennen blijft in stand.