Appellante, woonachtig in België sinds juni 2005, had bij de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een pensioenoverzicht aangevraagd. De Svb had haar niet verzekerd geacht voor de AOW over de periode van 3 juni 2005 tot en met 31 mei 2006. Na bezwaar bleef dit besluit in stand, waarna appellante in beroep ging bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep bracht appellante nieuwe bewijsstukken in. De Svb erkende daarop dat appellante over de genoemde periode wel verzekerd was. De Raad stelde vast dat appellante inderdaad verzekerd is voor die periode en vernietigde het bestreden besluit voor zover het haar niet-verzekerd achtte.
De Raad oordeelde dat appellante geen proceskostenvergoeding krijgt omdat zij de nieuwe stukken niet eerder had ingebracht, waardoor onnodige procedures ontstonden. Wel werd het betaalde griffierecht van €188,- aan appellante vergoed. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en vervangen door dit oordeel.