ECLI:NL:CRVB:2024:2398

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 december 2024
Publicatiedatum
18 december 2024
Zaaknummer
23/3172 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verhuiskostenvergoeding wegens onvoldoende bijdrage aan zelfredzaamheid

Appellante en haar echtgenoot verhuisden medio december 2021 van een appartement met één slaapkamer naar een appartement met twee slaapkamers. Appellante vroeg op grond van de Wmo 2015 een verhuiskostenvergoeding aan, maar het college wees deze af omdat er geen medische beperkingen waren die haar zelfredzaamheid en participatie negatief beïnvloedden.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat de verhuizing geen verandering bracht in de verstoorde nachtrust veroorzaakt door de medische klachten van appellante zelf. Ook het slaapapneu-apparaat van haar partner werd niet als relevant voor haar medische situatie gezien. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de verhuizing wel noodzakelijk was om medische redenen en dat de verstoring van de nachtrust haar zelfredzaamheid en participatie beperkt.

De Raad oordeelde dat appellante in hoger beroep geen nieuwe gronden aanvoerde die de eerdere beoordeling van de rechtbank konden weerleggen. De Raad benadrukte dat een maatwerkvoorziening volgens de Wmo 2015 bedoeld is om beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie van de persoon zelf weg te nemen. Het hoger beroep werd afgewezen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van het griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de verhuiskostenvergoeding blijft in stand.

Uitspraak

23/3172 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
16 oktober 2023, 23/2431 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam (college)
Datum uitspraak: 11 december 2024

SAMENVATTING

Deze zaak gaat om de vraag of het college aan appellante een verhuiskostenvergoeding had moeten toekennen. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 oktober 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wevers en S. Vlaar, cliëntenbegeleider. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Bähr, N.B. Droste en C.B.N. Verhoeven.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante en haar echtgenoot woonden tot december 2021 in een appartement met één slaapkamer in [plaats 1] . Medio december 2021 zijn ze verhuisd naar een appartement met twee slaapkamers in [plaats 2] .
1.2.
Appellante heeft op 25 januari 2022 een verhuiskostenvergoeding aangevraagd voor de gemaakte verhuiskosten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
1.3.
Met een besluit van 1 juli 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 9 februari 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van medische beperkingen die een negatieve invloed hebben op de zelfredzaamheid en participatie van appellante.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. De verhuizing brengt geen verandering in de verstoorde nachtrust voor zover die veroorzaakt wordt door de medische klachten van appellante zelf. En voor zover de verstoorde nachtrust wordt veroorzaakt door het slaapapneu-apparaat van haar partner, geldt dat dit geen verband houdt met de medische klachten van appellante. De verhuiskostenvergoeding levert geen passende bijdrage aan de zelfredzaamheid van appellante.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat de verhuizing wel degelijk noodzakelijk was om een medische reden. Een verstoring in de nachtrust levert een beperking op in de zelfredzaamheid en de participatie. Appellante kan niet slapen door de beperkingen van haar echtgenoot en haar echtgenoot kan niet slapen door de beperkingen van appellante.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Wat appellante aanvoert is in de kern een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellante heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens haar onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. De Raad voegt daar nog aan toe dat een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 is bedoeld om de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie van de persoon zelf weg te nemen.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit en daarmee de afwijzing van de aanvraag om een verhuiskostenvergoeding in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs als voorzitter en J.J. Janssen en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2024.
(getekend) K.M.P. Jacobs
(getekend) C.K. Teunissen