ECLI:NL:RBGEL:2022:6965
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing intrekking en terugvordering persoonsgebonden budget Wlz
De budgethouder ontving een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor de jaren 2018 en 2019. Verweerder trok het pgb in vanwege onvoldoende verantwoording van de besteding en het niet naleven van voorwaarden, en vorderde een bedrag van ruim €38.000,- terug. De rechtbank beoordeelde of verweerder bevoegd was tot intrekking en terugvordering en of dit rechtmatig was toegepast.
De rechtbank oordeelde dat verweerder wel bevoegd was tot intrekking, maar onvoldoende had gemotiveerd waarom de negatieve gevolgen van zijn gebrekkige controle aan de voorkant volledig voor rekening van de budgethouder komen. De zorgovereenkomst was globaal en door verweerder goedgekeurd, waardoor een specifieke administratie niet redelijk kon worden verlangd. Bovendien was de budgethouder vanwege zijn verstandelijke beperking kwetsbaar en had hij geen gewaarborgde hulp.
De rechtbank stelde vast dat de zorg daadwerkelijk was verleend, ook al was niet aan alle voorwaarden voldaan. Verweerder had onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de budgethouder, zoals diens financiële situatie en kwetsbaarheid. Daarom vernietigde de rechtbank het besluit en droeg verweerder op een nieuwe beslissing te nemen met een evenredige belangenafweging. Verweerder werd tevens veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van het pgb wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met een evenredige belangenafweging.