Appellant ontving sinds mei 2015 AOW-pensioen volgens de norm voor ongehuwden, terwijl hij in 2015 trouwde. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) herzag het recht op AOW met ingang van 1 januari 2016 naar de gehuwdennorm en vorderde het teveel betaalde pensioen terug, inclusief een boete wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellant meldde zijn huwelijk pas in mei 2018 bij de aanvraag van kinderbijslag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep erkende de SVB dringende redenen om gedeeltelijk van terugvordering af te zien en de boete te herroepen. De Raad verruimde de uitleg van 'dringende redenen' en hanteert nieuwe beleidsregels (SB1407) die een evenredigheidstoets voorschrijven, waarbij zowel het verwijt aan appellant als aan de SVB wordt meegewogen.
De Raad oordeelt dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden door zijn huwelijk niet tijdig te melden, maar dat de SVB naliet om na de melding in 2018 direct gevolgen te verbinden aan het pensioen. Daarom wordt de terugvordering gesplitst: volledige terugvordering over de periode vóór de melding en matiging tot 25% over de periode daarna. De boete wordt herroepen. De Raad vernietigt het bestreden besluit, stelt de terugvordering vast op €9.646,81 en veroordeelt de SVB in de proceskosten.