Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:2454

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 december 2024
Publicatiedatum
7 januari 2025
Zaaknummer
22/990 TOZO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet tijdig indienen bezwaar Tozo-uitkering

Appellant, een horecaondernemer, ontving algemene bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) over de periode maart tot en met mei 2020. Het college van burgemeester en wethouders van Breda stelde een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstand, omdat appellant niet voor verlenging had gekozen en inkomsten niet had gemeld. Op 17 september 2020 besloot het college de Tozo-uitkering te herzien, in te trekken en de kosten terug te vorderen.

Appellant maakte op 7 december 2020 bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd op 11 februari 2021 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en hield het besluit in stand. Appellant stelde hoger beroep in, maar ook dit hogerberoepschrift werd niet tijdig ingediend.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding rechtvaardigen. De overschrijding was niet verschoonbaar en het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard. Wel kende de Raad ambtshalve een schadevergoeding van € 500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Proceskosten en griffierecht werden niet toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening; appellant ontvangt een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

22/990 TOZO
Datum uitspraak: 10 december 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 januari 2022, 21/1300 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

SAMENVATTING

Het hogerberoepschrift is niet tijdig door appellant ingediend. Appellant heeft desgevraagd verklaard dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding niet aan hem kan worden toegerekend. Dit betekent dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 oktober 2024. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van Heugten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is ondernemer in de horeca. Over de periode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 heeft hij algemene bijstand ontvangen op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo).
1.2.
Het college heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand, omdat uit dossieronderzoek was gebleken dat appellant niet voor verlenging van zijn Tozo-uitkering had geopteerd. De resultaten van het onderzoek staan in het rapport beëindigingsonderzoek van 15 september 2020.
1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om met een besluit van 17 september 2020 de Tozo-uitkering over de periodes maart 2020 en 11 april 2020 tot en met 31 mei 2020 te herzien, bedoeld zal zijn in te trekken, en de kosten van algemene bijstand over die periodes van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 4.008,83. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van in maart 2020 ontvangen inkomsten en door niet te melden dat hij vanaf 11 april 2020 niet langer zijn feitelijke verblijfplaats heeft in de gemeente Breda.
1.4.
Appellant heeft op 7 december 2020 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 september 2020. Met een besluit van 11 februari 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat niet tijdig bezwaar is gemaakt en appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die de termijnoverschrijding rechtvaardigen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft aangevoerd dat hij als gevolg van de COVID-19 pandemie niet tijdig bezwaar heeft kunnen maken.

Het oordeel van de Raad

Ontvankelijkheid hoger beroep
4.1.
Niet in geschil is dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend. Het hoger beroep is beperkt tot de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht.
4.2.
In een uitspraak van 30 januari 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen in bestuursrechtelijke procedures. [1] In de uitspraken van 8 mei 2024 heeft de Raad zich aangesloten bij deze uitgangspunten. [2]
4.3.
Op grond van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift, nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Uit artikel 6:24 van Pro de Awb volgt dat deze bepaling ook geldt voor het hoger beroep. Beoordeeld moet worden of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift of beroepschrift niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarvan is sprake als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, kan in de eerste plaats worden gedacht aan persoonlijke omstandigheden van de indiener zelf, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener, of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan. In de tweede plaats valt te denken aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de indiener zorgen. Als de termijnoverschrijding aan de indiener kan worden toegerekend, dan is deze niet verschoonbaar.
4.3.1.
Appellant heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die hem betreffen. Van andere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding niet aan hem kan worden toegerekend is evenmin sprake. De termijnoverschrijding is dan ook niet verschoonbaar. De Raad merkt op dat het college ter zitting heeft toegezegd dat desondanks een eventueel door appellant ingediend verzoek tot herziening van de Tozo-uitkering, inhoudelijk zal worden behandeld. Aan die opmerking kunnen voor dit beroep echter geen gevolgen worden verbonden.
Schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn
5.1.
Ambtshalve wordt nog het volgende overwogen. De vraag of de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van een zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.
5.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [3] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Daarvan is in dit geval geen sprake.
5.3.
Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het college op 7 december 2020 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en drie dagen verstreken. De overschrijding van die termijn zit in de rechterlijke fase.
5.4.
In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. [4] Aan appellant zal daarom een schadevergoeding van € 500,- worden toegekend, te betalen door de Staat.

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Aan appellant wordt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend. Voor een veroordeling in de proceskosten en vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door W.A. Timmer als voorzitter in tegenwoordigheid van F. Sporrel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2024.
(getekend) W.A. Timmer
(getekend) F. Sporrel

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Artikel 6:24
Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van Pro overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld.

Voetnoten

1.Uitspraak van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
2.Zie de uitspraken van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:932, ECLI:NL:CRVB:2024:935 en ECLI:NL:CRVB:2024:972.
3.Uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
4.Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.