Appellant, een horecaondernemer, ontving algemene bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) over de periode maart tot en met mei 2020. Het college van burgemeester en wethouders van Breda stelde een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstand, omdat appellant niet voor verlenging had gekozen en inkomsten niet had gemeld. Op 17 september 2020 besloot het college de Tozo-uitkering te herzien, in te trekken en de kosten terug te vorderen.
Appellant maakte op 7 december 2020 bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd op 11 februari 2021 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en hield het besluit in stand. Appellant stelde hoger beroep in, maar ook dit hogerberoepschrift werd niet tijdig ingediend.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding rechtvaardigen. De overschrijding was niet verschoonbaar en het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard. Wel kende de Raad ambtshalve een schadevergoeding van € 500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Proceskosten en griffierecht werden niet toegewezen.