De zaak betreft een hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland die het besluit van het UWV om een WIA-uitkering toe te kennen aan werknemer vernietigde vanwege motiveringsgebreken en onduidelijkheid over de eerste ziektedag en doorlopende arbeidsongeschiktheid.
Werknemer meldde zich ziek per 3 juni 2018 met fysieke en psychische klachten en werd na een second opinion per 3 december 2018 hersteld gemeld. Het dienstverband eindigde in december 2018. Het UWV kende een Ziektewetuitkering toe met terugwerkende kracht en stelde later de arbeidsongeschiktheid per 1 juni 2020 vast op 100%, waarna betrokkene beroep instelde.
De rechtbank stelde in een tussenuitspraak dat het UWV onvoldoende had onderbouwd dat werknemer doorlopend arbeidsongeschikt was sinds 3 juni 2018 en gaf het UWV de gelegenheid de motiveringsgebreken te herstellen. Het UWV diende een aanvullend rapport in waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep de doorlopende arbeidsongeschiktheid en het excessieve ziekteverzuim nader onderbouwde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV met het aanvullende rapport de gebreken heeft hersteld en dat de wachttijd van 104 weken voor de WIA-uitkering is vervuld. Tevens is het excessieve ziekteverzuim per 1 juni 2020 voldoende gemotiveerd, waardoor werknemer terecht volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is verklaard. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak slechts voor zover het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen en bevestigt het overige.