ECLI:NL:CRVB:2024:322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering kinderbijslag wegens ontbreken co-ouderschap
Deze zaak betreft het hoger beroep tegen de herziening en terugvordering van kinderbijslag door de Sociale verzekeringsbank (Svb) per het vierde kwartaal van 2021. Appellant en de moeder van zijn kinderen hadden aanvankelijk co-ouderschap gemeld, waarna de kinderbijslag werd verdeeld. Later stelde de moeder dat de kinderen bij haar wonen en vroeg volledige kinderbijslag toe te kennen aan haar. De Svb herzag daarop het besluit en vorderde het teveel betaalde bedrag terug bij appellant.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat geen sprake was van co-ouderschap omdat de zorgregeling niet voorzag in een gelijke verdeling van onderhoudskosten. De Svb paste terecht artikel 18, vierde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe en wees terugvordering toe. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna hij hoger beroep instelde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. Uit het proces-verbaal en het ouderschapsplan blijkt niet dat appellant en de moeder de kinderen in overwegend gelijke mate verzorgen en onderhouden. Subsidiair faalt het beroep omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de hoogste bijdrage aan het onderhoud levert. Ook zijn geen dringende redenen voor terugvorderingontheffing aanwezig. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering blijven in stand.
De Raad wijst tevens op het juridische kader van de AKW en het Besluit uitvoering kinderbijslag (BUK) omtrent de uitbetaling bij meerdere rechthebbenden en de voorwaarden voor co-ouderschap. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2024.
Uitkomst: De herziening en terugvordering van kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2021 worden bevestigd wegens ontbreken van co-ouderschap.