ECLI:NL:CRVB:2024:370
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens minder dan 45% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving een nabestaandenuitkering na het overlijden van haar echtgenoot in 2018. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) liet een herbeoordeling uitvoeren door het UWV, dat concludeerde dat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt is. Op basis hiervan beëindigde de Svb de uitkering per 1 november 2019. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat het medisch onderzoek onvoldoende rekening hield met haar culturele achtergrond en mogelijke verstandelijke beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. In hoger beroep voerde appellante soortgelijke argumenten aan en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat het aanvullende onderzoek door DC Verzuim Diagnostiek zorgvuldig was, met inzet van een tolk en aangepaste tests. De Raad wees het verzoek om een nieuwe deskundige af vanwege het ontbreken van twijfel aan de medische beoordeling.
De Raad nam het standpunt van appellante niet over dat het onderzoek onvoldoende rekening hield met haar culturele achtergrond en mogelijke beperkingen. De afwijkende testresultaten werden verklaard door inconsistenties in het functioneren en niet door medische oorzaken. De uitkering is daarom terecht beëindigd. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Uitkomst: De nabestaandenuitkering van appellante is terecht per 1 november 2019 beëindigd wegens minder dan 45% arbeidsongeschiktheid.