ECLI:NL:CRVB:2024:374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslagaanvraag wegens verblijf kind in Marokko en ontbreken werknemerstatus
Appellant vroeg kinderbijslag aan voor zijn zoon die in het eerste en tweede kwartaal van 2019 in Marokko woonde. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko (NMV), omdat appellant niet als werknemer of gelijkgestelde viel onder het verdrag.
De rechtbank vernietigde het eerste besluit van de Svb wegens onvoldoende onderzoek naar de arbeidsrelatie van appellant met [X] BV, waar hij in 2012 vijf weken als krantenbezorger werkte. Na aanvullend onderzoek handhaafde de Svb het besluit dat appellant geen werknemer was, omdat hij niet verplicht was persoonlijk te werken en geen loon in dienstbetrekking ontving.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de overeenkomst een overeenkomst van opdracht was. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel, waarbij zij de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst toepaste en concludeerde dat appellant geen werknemer of gelijkgestelde was in de zin van het NMV.
Hierdoor had appellant geen recht op kinderbijslag over de betreffende periode. De Raad wees ook het beroep van appellant af dat hij als zelfstandige onder het verdrag zou vallen. De afwijzing van de kinderbijslagaanvraag blijft daarom in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag kinderbijslag over de eerste twee kwartalen van 2019 wordt bevestigd omdat appellant geen werknemer was en zijn zoon toen in Marokko woonde.