Appellant had na eerdere bijstand op grond van de Participatiewet op 23 januari 2021 en later op 16 november 2021 opnieuw bijstand aangevraagd. Het college wees de aanvraag af omdat appellant onvoldoende inlichtingen zou hebben verstrekt over zijn financiële situatie en het bezit van een auto niet had gemeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant voldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie en aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde in de te beoordelen periode. Hoewel appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het niet melden van de auto, kan het recht op bijstand toch worden vastgesteld.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en wijst het college erop dat nader onderzoek naar de periode na de beoordeling niet relevant is voor het nieuwe besluit. De Raad bepaalt zelf dat het college bijstand moet verlenen vanaf 4 november 2021. Tevens krijgt appellant een vergoeding van € 4.124,- voor gemaakte kosten en terugbetaling van griffierechten.