Appellanten maakten bezwaar tegen de intrekking van hun bijstandsuitkering door het college van burgemeester en wethouders van Almere. Na vernietiging van eerdere besluiten door de Raad, stelde het college een nieuw besluit vast waarin de intrekking over een deel van de periode ongedaan werd gemaakt en de bijstand over een ander deel werd herzien.
Appellanten betoogden dat het college ook het recht op bijstand na de beoordeelde periode had moeten vaststellen, maar de Raad oordeelde dat het recht op bijstand door de herroeping van het intrekkingsbesluit ook na die periode is blijven doorlopen. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Daarnaast verzochten appellanten om schadevergoeding wegens wettelijke rente en overschrijding van de redelijke termijn. De Raad wees het verzoek om rente af, maar kende een vergoeding van € 500,- toe voor de overschrijding van de redelijke termijn van ruim anderhalve maand.
De Raad veroordeelde het college tevens tot betaling van proceskosten van € 437,50 aan appellanten. De uitspraak bevestigt dat het college op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de eerdere uitspraak en dat het recht op bijstand doorloopt na de intrekking zolang deze niet rechtsgeldig is beëindigd.