ECLI:NL:CRVB:2024:415
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslag wegens ontbreken ingezetenschap op peildatum
Appellante, geboren in 1976 in Somalië en houder van de Nederlandse nationaliteit, had van 1993 tot 2006 in Nederland gewoond en daarna in Kenia en Groot-Brittannië. Op 5 september 2022 keerde zij met drie kinderen terug naar Nederland en vroeg op 5 oktober 2022 kinderbijslag aan. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellante op de peildatum 1 oktober 2022 nog geen ingezetene was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat op de peildatum niet kon worden vastgesteld dat appellante het centrum van haar belangen in Nederland had, mede omdat zij slechts 3,5 week in Nederland verbleef, geen duurzame woonruimte had en geen arbeid verrichtte.
De Raad benadrukte dat het hebben van een duurzame woonruimte slechts één van de factoren is voor het vaststellen van ingezetenschap. De woningnood kon niet leiden tot een andere beoordeling. Ook de toepassing van EU-verordeningen 883/2004 en 987/2009 leidde niet tot een ander oordeel.
Het hoger beroep werd afgewezen, het bestreden besluit bleef in stand en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht. Partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De aanvraag kinderbijslag werd afgewezen omdat appellante op de peildatum geen ingezetene van Nederland was.