Appellant, een buitenlandstudent met de Bulgaarse nationaliteit, had studiefinanciering ontvangen voor 2019, waaronder een aanvullende beurs, lening en reisvoorziening. De minister herzag en vorderde deze studiefinanciering terug voor de maanden mei en juni 2019, omdat appellant in die maanden geen loon had ontvangen en niet als migrerend werknemer werd beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat zonder feitelijke werkzaamheden in die maanden geen migrerend werknemerschap kon worden aangenomen. Appellant stelde in hoger beroep dat de beoordeling niet per maand, maar over een langere periode moest plaatsvinden en dat hij voldeed aan de urennorm over heel 2019.
De Raad overwoog dat het begrip werknemer ruim moet worden uitgelegd en dat een individuele beoordeling noodzakelijk is. Appellant werkte in 2019 bij twee werkgevers, was in mei en juni niet opgeroepen maar had een doorlopende arbeidsovereenkomst en was actief op zoek naar werk. De Raad achtte dit voldoende voor migrerend werknemerschap in die maanden.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, herroept het eerdere besluit van de minister en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten. De studiefinanciering voor mei en juni 2019 moet worden toegekend.