Uitspraak
mr. D. de Jong.
OVERWEGINGEN
1.3. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant gezien en gesproken tijdens de hoorzitting van 6 juli 2021. Deze arts heeft in het rapport van 7 juli 2021 geconcludeerd geen aanleiding te zien af te wijken van het oordeel van de arts van het Uwv. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 22 juli 2021 de geschiktheid van de geselecteerde functies beoordeeld en de functie van assemblagemedewerker wegens ongeschiktheid voor appellant verworpen. In plaats daarvan heeft hij de eerder als reserve geselecteerde functie van monteur printplaten voor de schatting gebruikt. Op basis daarvan en de overige twee onverminderd geschikt bevonden functies is berekend dat appellant nog 68,33% kan verdienen van zijn maatmaninkomen. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 28 juli 2021 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.
Het oordeel van de Raad
6 december 2022 en het radiologisch onderzoek van de knieën van 20 december 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat deze medische informatie geen aanleiding geeft tot het aannemen van meer beperkingen. Hij wordt hierin gevolgd. Dit oordeel wordt hierna nader gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
1 punt voor de aanwezigheid ter zitting in beroep, 1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor de aanwezigheid ter zitting in hoger beroep en 0,5 punt voor de zienswijze op de gewijzigde medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in beroep, met een waarde van € 875,- per punt en een wegingsfactor 1). Ook moet het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ter hoogte van € 185,- vergoeden.