ECLI:NL:CRVB:2018:1306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellant, werkzaam als medewerker laklijn, viel in 2005 door een val van een ladder uit voor zijn werk. Het UWV kende hem aanvankelijk een WGA-uitkering toe, later een IVA-uitkering wegens een psychische stoornis. In 2014 vond een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaats, inclusief psychiatrisch onderzoek door Notten, die geen objectiveerbare psychiatrische stoornissen vaststelde. De verzekeringsarts concludeerde dat appellant geen relevante medische beperkingen had voor arbeid.
Het UWV trok daarop in 2015 de WGA-uitkering in en stelde dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij 80-100% arbeidsongeschikt zou zijn, maar bracht geen nieuwe medische informatie in.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat het UWV voldoende medische grondslag had om de beperkingen te ontkennen en dat het oude neuropsychologisch rapport uit 2006 niet relevant was voor de datum in geding. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van medische beperkingen.