ECLI:NL:CRVB:2024:500
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens schending medewerkingsverplichting bij huisbezoek
Appellant diende op 9 juli 2019 een aanvraag om bijstand in, maar stond sinds 2012 niet meer ingeschreven in de Basisregistratie Personen (Brp) vanwege een onbewoonbare woning. Het college weigerde appellant in te schrijven en stelde een huisbezoek in om de woon- en leefsituatie te verifiëren. Tijdens een gesprek op 25 juli 2019 weigerde appellant medewerking aan een huisbezoek.
Het college wees de bijstandsaanvraag af wegens schending van de medewerkingsverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het huisbezoek niet nodig was en dat hij een zwaarwegend belang had om het te weigeren, omdat hij zich overvallen en geïntimideerd voelde.
De Raad oordeelde dat er een redelijke grond was voor het huisbezoek vanwege twijfels over de juistheid van de opgegeven woongegevens en dat appellant geen zwaarwegend belang had om het huisbezoek te weigeren. De medewerkingsverplichting was geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het hoger beroep werd afgewezen en de afwijzing van de aanvraag bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens schending van de medewerkingsverplichting bij het huisbezoek.