ECLI:NL:CRVB:2024:506
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzaam arbeidsvermogen
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan wegens een verstandelijke beperking en het ontbreken van arbeidsvermogen op zijn achttiende verjaardag. Het UWV weigerde de uitkering omdat het arbeidsvermogen niet duurzaam ontbrak, wat door de rechtbank Rotterdam werd bevestigd. Appellant maakte bezwaar en ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
De Raad beoordeelde of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam was, waarbij duurzaamheid betekent dat er geen perspectief is op verbetering van arbeidsparticipatie. Uit medisch en arbeidskundig onderzoek bleek dat appellant weliswaar geen arbeidsvermogen had, maar dat er een opwaartse ontwikkeling mogelijk was. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant in kleine stapjes met begeleiding kan leren en zich kan ontwikkelen.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de Wajong-uitkering heeft geweigerd omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de uitkering bleef in stand. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding en het griffierecht werd niet terugbetaald.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van duurzaam arbeidsvermogen.