Appellant, voormalig metselaar, werd sinds 28 oktober 2013 arbeidsongeschikt gemeld en ontving een WIA-uitkering met een zeer laag maandloon van €0,29. Na bezwaar en beroep kende het UWV de IVA-uitkering toe met ingang van 17 januari 2017, gebaseerd op een WIA-maandloon van €0,44. Appellant stelde dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag eerder lag vanwege ernstige psychische problematiek en dat het dagloon hoger moest zijn, minimaal gelijk aan de Ziektewet-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, dat de ingangsdatum van 17 januari 2017 juist was vastgesteld en dat de referteperiode voor het dagloon conform de wet was toegepast. Het UWV mocht de inkomsten als zelfstandige niet meenemen en het dagloon hoefde niet te worden aangepast aan het hogere ZW-dagloon.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad onderschreef de rechtbank en oordeelde dat het telefonisch spreekuur met de verzekeringsarts voldeed gezien de medische situatie en dat het dossieronderzoek voldoende was. De arts bezwaar en beroep had een gedegen en inzichtelijke motivering gegeven voor de ingangsdatum en de duurzame arbeidsongeschiktheid vanaf 17 januari 2017. De Raad verwierp het beroep en bevestigde het besluit, inclusief de dagloonberekening en de toegewezen ingangsdatum.